Ga naar de inhoud

Het is 10:30

Het is ongeveer 10:30 op een werkdag. De koffie is op en mijn moeder komt naar mijn kamer voor overleg. Ik ben tot het avondeten boven. Beneden zijn geeft teveel prikkels. Ze gaat naast mij zitten en we gaan een lijstje maken.

Wat moet er worden geregeld? Wat wachten we nog af? Wie moeten we een mail sturen? Stellen we deze vraag alvast, of kijken we het nog even aan? We zijn amper vijf minuten bezig als ik mij ineens heel slecht ga voelen. Ik word onterecht heel chagrijnig, ga huilen en elk geluid en elke beweging is er een teveel. Enigszins verontwaardigd gaat mijn moeder weg en laat mij alleen. Het beste wat zij op dat moment kan doen.

Ik ben overprikkeld. We kennen de symptomen en weten dat ik tot rust moet komen. Die overprikkeling komt tegenwoordig heel snel. Ik ben uitgeput, heb stress, moet veel doen, sta altijd maar β€˜aan’ en heb zoveel pijn dat ik al een aantal keer flauw ben gevallen. Langzaam draai ik mijzelf in een neerwaartse spiraal.

Zo gaat het niet langer. We hebben thuis een aantal goede gesprekken en ik ontdoe mijzelf van alle druk. De arts van de pijnpoli strijkt over haar hart en geeft mij pijnstilling die ze anders niet zo snel zou geven. De weken die voor mij liggen, zijn niet langer alleen maar ellende. De situatie is nu gewoon stom, maar daar kan ik twee dingen mee doen. Ik kan het lijdzaam ondergaan, of ik maak er het beste van. Dat laatste lijkt mij het beste. We gaan nadenken over leuke dingen. Wat kan ik ook liggend doen, of heel kort zittend? We bakken een taart en maken nog meer plannen. De komende weken zullen niet makkelijk zijn, maar er komt weer wat rust in mijn hoofd. Het is niet langer alleen maar lijden. Het wachten op de operatie wordt dragelijk.